Werkhoudingsproblemen

Aan de slag gaan

Kinderen gaan op een bepaalde manier aan het werk. Op school krijgen ze een opdracht en daar gaan ze dan mee aan de slag.

Als de kinderen op een goede manier aan de slag gaan met de opdracht is er sprake van een goede werkhouding en zullen de resultaten ook goed (maar dat hoeft niet, bijvoorbeeld bij een lage intelligentie) zijn.
Wanneer het kind op een verkeerde manier aan de slag gaat met de opdracht, is er sprake van een werkhoudingsprobleem. De resultaten van dit kind zullen over het algemeen ook niet goed zijn (maar dat hoeft niet, bijvoorbeeld bij een hoge intelligentie).

Werkhoudingsproblemen

Als een kind werkhoudingsproblemen heeft, kan je dat aan zijn gedrag zien. Bijvoorbeeld als het kind maar niet begint met werken, of het is al begonnen met de opdracht voordat de volledige uitleg is gegeven.

Soms zitten de werkhoudingsproblemen van het kind in het denken.
Dan zie je dus niet aan het gedrag van het kind dat er iets verkeerd gaat. Bijvoorbeeld als het kind weg droomt of snel is afgeleid, of het kind begint aan de opdracht zonder over een planmatige aanpak nagedacht te hebben.

Aantal kenmerken van werkhoudingsproblemen

Er zijn een aantal kenmerken van werkhoudingsproblemen.
Het ene kind heeft slechts 1 kenmerk, terwijl het andere kind meerdere kenmerken heeft.

Concentratie

Als een kind een werkhoudingsprobleem heeft wordt al snel gezegd dat er sprake is van een concentratieprobleem.
We moeten er voor oppassen dat deze term niet te snel gebruikt wordt.

Er zijn twee aparte groepen binnen de concentratieproblemen:

  • Concentratiemoeilijkheden: Bij deze groep is er sprake geweest van bijvoorbeeld een gebeurtenis waardoor het kind aan iets anders denkt dan aan zijn schoolwerk. Zijn gedachten dwalen dan steeds af naar wat er gebeurd is. Te denken valt aan een scheiding van de ouders of het verlies van een dierbaar persoon. Over het algemeen is zijn de concentratiemoeilijkheden tijdelijk.
  • Concentratiestoornissen: Bij een stoornis gaat het om een proces in de hersenen die niet veranderd of opgelost kan worden. Het is aangeboren en er moet mee worden leren geleefd. Te denken valt aan ADHD. Deze kinderen kunnen niet verantwoordelijk gehouden worden voor hun beperkte aandacht.

Aandacht

Er zijn drie verschillende vormen van aandacht.

  • Gerichte aandacht: Het kind wordt dan niet afgeleid door dingen die buiten hem om gebeuren, maar kan zijn aandacht bij de opdracht houden.
  • Volgehouden aandacht: Als het kind zijn aandacht voor langere tijd bij de opdracht kan houden.
  • Verdeelde aandacht: Het kind kan zijn aandacht verdelen over verschillende aspecten van de opdracht. Dat is belangrijk om een ingewikkelder vraagstuk op te kunnen lossen.

De mate van aandacht is belangrijk voor de werkhoudingsstijl van het kind.

Impulsieve houding

Als een kind impulsief is, dan begint hij aan de opdracht zonder erbij na te denken. Een impulsief kind reageert meteen op in het oog springende details en kan daardoor ook afgeleid worden; het is daar teveel mee bezig.

Het kind zoekt een oplossing door te gokken. Het zal niet systematisch naar een oplossing zoeken, het probeert maar wat en als het niet werkt, probeert hij wat anders (of niet).
Deze kinderen weten aan het eind van de opdracht vaak ook niet hoe ze aan de oplossing gekomen zijn.

Weinig analytisch werken

Het kind leest de opdracht te oppervlakkig of luistert niet goed naar de opdracht, waardoor de opdracht verkeerd uitgevoerd wordt.
Het goed luisteren en bekijken van een opdracht alvorens ermee aan de slag te gaan, is een belangrijk aspect van een goede werkhouding.

Weinig zelfstandig werken

Het kind heeft moeite om zelfstandig met een opdracht aan de slag te gaan. Ook vindt het kind het lastig om de opdracht te voltooien. In een klas zijn er veel kinderen die hier last van hebben. Meestal komt dit voort uit onzekerheid, of het kind heeft bevestiging nodig, voordat hij de opdracht als ‘af’ beschouwt.
Deze kinderen werken vaak chaotisch en er zit geen vaste lijn in hun manier van werken.

In eerste instantie analyseren ze de opdracht al onvoldoende, waardoor hij niet weet wat het moet doen. Ook gaat hij niet uit zichzelf op zoek naar een goede oplossingsstrategie en heeft hier al hulp bij nodig.
Pas aan het einde van de opdracht vragen ze aan de leerkracht of het goed is, en dan is het eigenlijk al te laat.

Werktempo: Te snel of te langzaam

Snel of langzaam werken op zich is geen probleem. Het wordt pas een probleem als het kind TE snel of TE langzaam gaat werken. Te snel werken gaat meestal samen met impulsiviteit en te langzaam werken met volgehouden aandacht, weinig zelfstandig werken en weinig goede oplossingsstrategieën.

Tips om het werktempo in de klas te verhogen:

  1. Kijk naar de leerdoelen en welke stof nodig is om tot een hoger tempo te komen: stel het leerproces voorop.
  2. Leg de leerdoelen aan het kind met het lage werktempo uit.
  3. Leg uit wat wel en juist niet belangrijk is aan de taak. Is snelheid belangrijker dan nauwkeurigheid? Vertel dan waarom.
  4. Is het kind wel gemotiveerd om het leerdoel te behalen? Spreek hem of haar er dan op aan. Jij wilt toch leren (vul maar in)? Zo gaat dat niet lukken. Hoe kan ik je helpen dat wél te leren?

Onregelmatig werkritme

Het werkritme van het kind is eigenlijk nog belangrijker dan het werktempo.
Kinderen met werkhoudingsproblemen hebben vaak een onregelmatig werkpatroon. Ze beginnen te snel, lopen dan vast, hebben verkeerde oplossingsstrategieën, doen maar wat en vragen dan om hulp.
Hier kunnen ze ook nog onzeker worden en kunnen bijvoorbeeld afhaken.

Deze kinderen zijn vaak als laatste klaar met de opdracht, hoewel ze wel als eerste zijn begonnen.

Weinig zelfcontrole

Kinderen met werkhoudingsproblemen weten vaak niet goed waar ze mee bezig zijn. Wanneer ze dan klaar zijn willen ze graag bevestiging krijgen van bijvoorbeeld de leerkracht. Ze zijn niet in staat hun eigen werk te beoordelen.
Het kind heeft moeite met zelfsturing: het regelmatig controleren van het eigen werk en denkprocessen om het zo nodig bij te stellen.

Menselijk gedrag wordt beïnvloed door verschillende factoren die op elkaar inwerken.

Factoren in het kind:

Medisch-lichamelijke factoren

Voor een goede werkhouding is het belangrijk om lichamelijk goed en gezond te zijn. Wanneer je bijvoorbeeld ADHD hebt, heb je concentratieproblemen.

Emotionele factoren

Een voorwaarde voor een goede werkhouding is motivatie. Als er motivatie is bij het kind, kan zelf een kind met concentratieproblemen een goede werkhouding hebben.

Faalangst is ook een emotionele factor. Als een kind een keer een slecht cijfer heeft gehaald voor een toets rekenen, kan het gaan denken dat hij niet kan rekenen. Dit is van invloed op het maken van de volgende rekentoets. Door de negatieve gevoelens, gaat het werken ook minder.

Cognitieve factoren

Wanneer het kind geen goede voorkennis heeft opgebouwd door de jaren heen kan het opdrachten minder goed begrijpen of uitvoeren. Hiertoe behoren ook de taalontwikkeling, motoriek, voldoende ruimtelijk inzicht, auditief en visueel geheugen, abstractievermogen etc. (behoren tot de intelligentie).
De cognitieve stijl van het kind is ook van invloed op de werkhouding. Dit is de manier waarop het kind denkt en hoe hij zijn voorkennis gebruikt.

Factoren in de omgeving:

Kenmerken van de leerkracht

De persoon van de leerkracht kan van invloed zijn op de werkhouding van het kind. Te denken valt aan de benadering van de kinderen (is hij dominerend of juist sociaal integrerend).
Het taalgebruik van de leerkracht. Is dit persoonsgericht (dat heb je goed gedaan, Tanja!) of situatiegericht (het was wel moeilijk, hè?).

Ook is de organisatie van de lessen van de leerkracht van invloed. Als de leerkracht een structurerende opbouw heeft, kan aansluiten bij het kind en in kleine stapjes werkt, vermijdt werkhoudingsproblemen bij het kind.

Taakkenmerken

Hoe complex is de opdracht; hoe lang is de opdracht; wanneer wordt de opdracht gegeven (aan het einde van de dag of juist aan het begin?); de motiverende elementen in de taak zelf (hoe leuk wordt de saaie leerstof gemaakt door de leerkracht, of bijvoorbeeld film/plaatjes/vorm van opdracht).

Sociaal-emotionele factoren

De ouders en leeftijdsgenootjes hebben ook hun invloed op de werkhouding van het kind. De interactie met de omgeving moet daarom ook goed bekeken worden.
Bijvoorbeeld de manier waarop de ouders thuis met het kind omgaan (op welke manier worden ze gestimuleerd om hun huiswerk te maken, mag het kind zelf ontdekken?).

Als kinderen thuis weinig regels krijgen en er nauwelijks grenzen worden aangegeven, zullen het op school ook heel moeilijk hebben.

Sociaal-materiele factoren

Dit gaan om de manier waarop bijvoorbeeld het klaslokaal is ingericht.
Als deze gezellig is, zal dat de werkhouding goed doen omdat het kind zich goed voelt, maar aan de andere kant kan het ook snel afgeleid raken.

Ook de situatie thuis is van invloed: als de tafel waarop je huiswerk maakt gedeeld moet worden met broers en zussen of dat je dure cadeautjes krijgt als je je huiswerk hebt gemaakt of een goed cijfer hebt gehaald.

Signaleren en analyseren van de werkhouding door middel van observeren

Het signaleren en analyseren van werkhouding gebeurt door middel van observeren.
Er wordt goed gekeken naar het kind.

De observatiegegevens kunnen in vier fasen opgedeeld worden.

Fase 1: Waarin de instructie gegeven wordt

  • het kind loopt van zijn plaats
  • kijkt om zich heen
  • zoekt in zijn tas naar materiaal
  • zit te spelen met zijn pen
  • is al begonnen met de opdracht
  • praat met zijn buurman.

Wanneer het kind met iets anders bezig is tijdens de instructie, maar wel goed aan de opdracht kan werken is niet-taakgericht bezig. Dit hoeft dan geen werkhoudingsprobleem te zijn.
Dit gedrag moet zich meerdere malen en in verschillende situaties voordoen.

Fase 2: Wanneer het kind nadenkt over de oplossingsstrategie

  • als het kind met de opdracht aan de gang gaat zonder voorbereiding of nagedacht te hebben over de manier van aanpak. Het werkt chaotisch.
  • Het kind begint niet met de opdracht
  • Het kind vraagt of het nog een keer uitgelegd kan worden
  • Het kind vraagt bevestiging over details van de opdracht.

Taakgericht gedrag wat het kind in fase 2 zou moeten laten zien:

  • de juiste materialen liggen klaar
  • eerst door het doolhof lopen voordat het onnodige fouten zou kunnen maken
  • nadenken over de aanpak en hiervoor bijvoorbeeld een schema maken
  • structuur aanbrengen in de opdracht door het bijvoorbeeld nummers te geven.

Fase 3: Waarin het kind de taak concreet uitvoert

Het kind gaat aan de slag, maar

  • werkt onregelmatig (snel, dan weer langzaam of stopt tussendoor)
  • slaat delen van de opdracht over
  • maakt de opdracht onsystematisch (bijvoorbeeld eerst het laatste deel en dan het eerste)
  • het werkt zonder plan of doel
  • verbetert zichzelf regelmatig, gebruikt bijvoorbeeld veel zijn gum of krast veel
  • vraagt na elke deelopdracht om bevestiging

In deze fase is het belangrijk om na te gaan wat de denkprocessen zijn die het kind heeft.

Fase 4: Waarin het kind zijn werk evalueert

  • het kind stopt nadat het zijn opdracht heeft afgemaakt
  • het kind is niet zeker van zijn oplossing en vraagt om bevestiging
  • het kind vergelijkt zijn oplossing met dat van een ander en verandert zijn eigen oplossing daarna.

Zelfevaluatie is eigenlijk het moeilijkste deel van een goede werkhouding.

Praktische aanpak in het onderwijs

Basisprincipes: structuur en geduld

Normen en afspraken moeten voor het kind belangrijk zijn, wil het goed aan het werk kunnen gaan.
Voor elk kind is het belangrijk dat er duidelijkheid is over de opdracht, de manier van uitvoeren, de probleemoplossing. Maar ook over de manier waarop het met anderen om moet gaan.

Voor de begeleiding van kinderen met werkhoudingsproblemen kan gebruik gemaakt worden van de methode van Meichenbaum (‘de beertjesmethode’). Deze methode helpt de begeleider en het kind stap voor stap om het denkproces te ontwikkelen.
Het kind leert om bewust handelingen uit te voeren.

Een aantal principes staan bij de methode centraal:

  • Verbaliseren: Om het denkproces te kunnen sturen heb je taal nodig. De verschillende processen en fasen moeten daarom duidelijk verwoord worden. Ook moet het kind leren om de stappen die hij neemt te verwoorden.
  • Visualiseren: Plaatjes kunnen de denkprocessen ondersteunen. Bij de beertjesmethiode worden daarvoor vier beertjes gebruikt. Dromende kinderen kunnen bij de les gehouden worden door middel van plaatjes. Verder kunnen processen ook ondersteund worden door bijvoorbeeld schema’s of symbolen.
  • Model staan: De begeleider moet het kind voordoen hoe iets moet. Dit gaat schematisch als volgt:

1. de begeleider verwoordt de denkstappen hardop en het kind volgt.
2. de begeleider verwoordt de denkstappen hardop en het kind voert de opdracht uit.
3. het kind verwoordt hardop en voert zelf de opdracht uit.
4. het kind begeleidt zichzelf fluisterend en voert de opdracht uit.
5. het kind begeleidt zichzelf innerlijk en voert de opdracht uit.

Op deze manier worden de stappen bij het kind ingeslepen. Ook kan het model staan voor de hele klas nuttig zijn.

Elk kind met werkhoudingsproblemen heeft het nodig dat opdrachten regelmatig herhaald worden. Het kind moet de tijd krijgen om te wennen aan nieuwe regels en verwachtingen.
Ook zal het het geleerde niet zo makkelijk ook in een andere situatie toepassen. Het is daarom belangrijk dat de begeleider hierin geduld kan opbrengen.

Voorbereidingsfase + Fase 1; Wat moet ik doen?

In deze fase hoort of leest het kind de opdracht. Dit is de belangrijkste fase, omdat alle details van de opdracht belangrijk zijn voor een goede oplossing. Bij de geringste onnauwkeurigheid gaat het al mis. Ga bij deze fase na of het kind de opdracht goed begrepen heeft en je hebt al veel gewonnen.

In deze fase wordt er bij het kind gewerkt aan de algemene kijk- en luisterhouding, de nauwkeurigheid, stopgedrag (kan het kind stoppen als het iets van de opdracht niet begrijpt) en papegaaien (kan het kind de opdracht letterlijk herhalen, heeft het de opdracht begrepen).
Ten slotte wordt de opdracht geanalyseerd.

In eerste instantie wordt geoefend met niet-schoolse opdrachten. Daarna wordt de overstap gemaakt naar wel-schoolse opdrachten. Dit, zodat het kind dit ook in andere situaties kan toepassen.

Fase 2; Hoe ga ik dat doen?

In deze fase leert het kind om een oplossingsmethode te bedenken, voordat hij aan de slag gaat met de opdracht.

De begeleider laat het kind hardop een oplossing bedenken, de begeleider heeft op die manier zicht op de manier van denken van het kind en kan het bijsturen als dat nodig is. Wanneer een oplossing niet werkt, moet het kind in staat zijn om een andere oplossing voor het probleem te bedenken.
Het kind leert om systematisch en geordend te werken.

Het kind leert om leerstof die het al eerder heeft geleerd ook bij andere opdrachten of in andere situaties toe te passen. Te denken valt aan spellingsregels of rekenprincipes.
Het zijn vaste werkplannen die weer opgeroepen moeten worden.

Fase 3; Ik doe mijn werk

Het kind heeft een werkplan gemaakt in fase 2, nu gaat het in fase 3 daarmee aan de slag. Het kind leert om dit plan stap voor stap uit te voeren. Zelfstandig de opdracht uitvoeren is hier het doel. De begeleider kan in deze fase een stapje terug doen, omdat hij al weet dat het kind weet wat het moet doen en ook hoe.

Er zijn nog wel enkele aandachtspunten waarin de begeleider nog wat zal moeten begeleiden: het strikt volgen van het plan; aandacht leren vasthouden; motivatie voor de opdracht leren bewaren; soms is mondeling en visualisering nog nodig.

Fase 4; ik kijk mijn werk na, wat vind ik ervan?

Over het algemeen laat het kind zijn werk nakijken door de leerkracht op school. Zelfevaluatie wordt overgeslagen. In deze fase leert het kind eerst zelf zijn werk na te kijken. Het kind kijkt aan de hand van zijn werkplan zijn oplossing na.
Als deze fase eenmaal bij het kind is ingeslepen, zal hij ook tijdens het maken van zijn werk zichzelf controleren.

Tips voor ouders voor het omgaan met een kind met werkhoudingsproblemen

  • Breng thuis structuur aan in je dag.
  • Stel grenzen aan het gedrag van je kind en geef duidelijk aan wat je voor gedrag van je kind verwacht.
  • Maak je kind bewust van negatief gedrag.
  • Zorg voor een plek waar je kind rustig zijn huiswerk kan maken zonder afgeleid te worden.
  • Gebruik geen beloningssystemen om je kind aan zijn huiswerk te krijgen, daarmee schiet je je doel voorbij. Dan werkt het alleen voor de beloning.
  • Geef complimentjes aan je kind wanneer het goed gaat.
  • Zorg ervoor dat wanneer je kind ergens mee zit hij naar je toe kan komen.

2 gedachtes op “Werkhoudingsproblemen”

  1. Hallo,

    ik ben 22 jaar en ik heb hier eigenlijk nog steeds last van… Ik weet niet zo goed wat ik er mee aan moet. Ik heb al werkhoudingsproblemen van kleins af aan.

    Kunt u mij helpen hoe ik dit kan oplossen?

    Bij voorbaat dank

  2. Beste,

    Voor een onderzoek voor mijn opleiding wil ik u als mijn bron gebruiken, maar kan ik helaas niet bij de gegevens om dit in de juiste bronvermelding kwijt te kunnen.
    Zou u de auteur en datum van plaatsing op de site door willen geven van het artikel: “Signaleren en analyseren van de werkhouding door middel van observeren”?

    U zou mij hier heel erg mee helpen in mijn onderzoek!

    Groetjes Anouk Erren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *