Beelddenken

Wat is beelddenken?

De meeste mensen denken in taal. Als je denkt zie je als het ware de woorden aan je voorbij vliegen. Je ordent en geeft structuur aan je wereld door woorden te verbinden aan dingen en betekenissen.

Een kleine minderheid van de mensen denkt in beelden. Beelddenkers denken in beelden en gebeurtenissen. Je zou het kunnen zien als ‘ruimtelijk denken’.

Denken in ruimtelijke voorstellingen

Beelddenkers ordenen en geven structuur aan hun wereld dan ook met niet-talige middelen. Ze zien beelden van handelingen en situaties.

Al die verschillende beelden worden als het ware op elkaar ‘ingehaakt’, ze werken op elkaar in en op die manier wordt het een betekenisvol geheel. Het is een vorm van woordloos denken. Je denkt in ruimtelijke voorstellingen.
Beelddenkers zien meteen het grote geheel, maar kunnen daardoor ook belangrijke details missen.

Emotioneel

De wereld is ingericht op de manier hoe de meeste mensen denken: op de talige manier. Omdat bij beelddenkers alles met elkaar verbonden is, zijn ze heel emotioneel. Alle beelden die ze binnenkrijgen om te verwerken, moeten omgezet worden naar taal. Ze moeten zoeken naar woorden om met anderen te kunnen communiceren. Dat kost veel tijd.

Beelddenkers moeten op een hele andere manier leren denken. De manier van lesgeven moet ook daarop aangepast worden. Dit lukt niet altijd goed, waardoor er onderwijs- en leerproblemen kunnen ontstaan.

Voordelen beelddenken

Maar beelddenken kan ook voordelen hebben, deze kinderen zijn vaak heel creatief en hebben vaak talent op het gebied van inzicht ruimtelijk denken.

Nadelen van beelddenken

De wereld is ingesteld op mensen die in taal denken. Er wordt van de beelddenkers ook verwacht dat zij in taal denken. Hierdoor krijgen de beelddenkers extra problemen. Weinig-voorkomende woorden (zoals namen) zijn voor hen moeilijk te onthouden.

Een kind die beelddenker is heeft extra hulp nodig bij het leren lezen. Deze kinderen zijn ook een stuk trager met leren. Dat komt omdat ze veel meer moeten leren dan kinderen die in taal denken. Ze moeten de informatie eerst naar taal omzetten, dat kost extra veel tijd. Anderen zien niet dat ze dat in hun hoofd ook nog moeten doen.

Beelddenkers hebben ook meer moeite met dingen voor zichzelf op een rijtje te zetten.

Herkennen van beelddenken

Er zijn een aantal dingen waar je beelddenken bij kinderen aan kunt herkennen.

We hebben deze voor verschillende leeftijdsgroepen voor je op een rijtje gezet.

Ongeveer drie tot zes jaar

In de leeftijdsgroep van ongeveer drie tot zes jaar kun je beelddenken bij kinderen herkennen aan:

  • Het kind begint later te praten dan leeftijdgenoten.
  • De articulatie is vaak niet zo goed, het kind mompelt veel.
  • Het kind heeft niet zo’n grote woordenschat en de woorden die het kent zou je niet verwachten bij deze leeftijd.
  • Het kind springt van de hak op de tak met het vertellen van een verhaal.
  • Het kind heeft moeite met het leren van motorische vaardigheden, zoals zwemmen, fietsen, knippen en plakken.
  • Het kind speelt graag met materiaal waar het mee kan bouwen, bijvoorbeeld lego en duplo, hele bouwwerken worden dan in elkaar gezet.
  • Het kind kan zich minder voelen dan een ander en onzeker zijn. Het gaat allemaal niet zo makkelijk en het wordt vaak niet goed begrepen.

Ongeveer zes tot twaalf jaar

In de leeftijdsgroep van ongeveer zes tot twaalf jaar kun je beelddenken bij kinderen herkennen aan:

  • Het kind heeft moeite met automatiseren, bijvoorbeeld bepaalde sommetjes uit het hoofd leren.
  • Het kind heeft moeite om dingen te ordenen en te structureren.
  • Vaak ontwikkelt het kind de symptomen van dyslexie.
  • Het kind heeft moeite met links en rechts, de eu of ue, b of p.
  • Het kind koppelt de verkeerde letter aan een bepaalde klank.
  • Het kind kijkt globaal naar teksten, daardoor worden bepaalde verschillen tussen letter niet gezien.
  • Het kind kan in de war raken van betekenisloze woorden. Het zorgt namelijk voor een ‘gat’ in hun film, er kan geen beeld van gemaakt worden. Daarom is het onthouden van namen ook moeilijk.
  • De volgorde van cijfers en de tafels kunnen problemen opleveren.
  • Het kind ontwikkelt een eigen rekenstrategie, die vaak erg omslachtig is.
  • Bij het horen van instructies raakt het kind vaak afgeleid. Door wat er verteld wordt, raakt het kind afgeleid omdat het allemaal beelden oproept, waardoor hij weer aan andere dingen gaat denken.

Ongeveer twaalf tot achttien jaar

In de leeftijdsgroep van ongeveer twaalf tot achttien jaar kun je beelddenken bij kinderen herkennen aan:

  • Het kind heeft enorme problemen met de verschillende talen.
  • Het kind raakt snel achter op de rest van de groep, door het hogere tempo dan op de basisschool.
  • In het eerste jaar wordt er veelal geen goede basis gelegd door het te hoge tempo.
  • Het lukt het kind niet om goede planningen te maken, afspraken na te komen, huiswerk te maken. Doordat het kind weinig tijdsbesef heeft, wordt alles onderschat.
  • Het wat oudere kind is goed in natuur- en meetkunde.
  • Naarmate het kind ouder wordt, gaat het steeds beter met het kind. Dit komt omdat er dan meer beroep wordt gedaan op ruimtelijk inzicht en minder op instrumentele vaardigheden (aanleren van bepaalde methodes).

Signaleren van Beelddenken

Om te bepalen of een kind een beelddenker is, wordt gebruik gemaakt van het Ojeman Wereldspel.
Dit wereldspel bestaat uit allerlei houten huisjes, boompjes en beestjes. Het kind moet een dorp bouwen. De manier waarop hij dat doet geeft aan of hij in beelden of in taal denkt. Het dorp wordt vastgelegd met een foto en een plattegrond. Later wordt aan het kind gevraagd het dorp op precies dezelfde manier na te bouwen. Het blijkt dan dat beelddenkers hier veel beter toe in staat zijn dan taaldenkers.
Het wereldspel zegt ook wat over het ontwikkelingsniveau van het kind: in hoeverre komt de manier van bouwen overeen met leeftijdgenoten.

Naast het wereldspel worden er ook didactische toetsjes afgenomen bij het kind. Daarin komen begrijpend lezen, dictee en ook rekenen aan bod.

Spelletjes worden ook gespeeld om te kijken of een kind een bepaalde manier van aanpakken heeft en of hij kan en wil leren van een voorbeeld.

Kenmerken van beelddenkers

In het volgende lijstje staan kenmerken die beelddenkers kunnen hebben. Het hoeft niet zo te zijn dat een beelddenker alle kenmerken heeft.

  • Een beelddenker heeft moeite met het automatiseren van taken. Een beelddenker moet eerst iets begrijpen, voordat hij het kan doen en bij automatiseren is het de bedoeling dat je iets kan doen zonder erbij na te denken. Daardoor gaat het automatiseren traag en is het concreet: bijvoorbeeld rekenen met behulp van vingers, ipv uit het hoofd. Als het kind ouder wordt, is deze manier van werken te traag.
  • Beelddenkers verliezen snel de aandacht bij een verhaal. De woorden roepen namelijk beelden op en door die beelden raken ze afgeleid.
  • Beelddenkers zijn snel vermoeid, omdat hun wereld zo anders is dan die om hen heen.
  • Het onthouden van abstracte lettertekens is moeilijk, zoals namen. Hiervan kan namelijk geen ‘beeld’ gemaakt worden.
  • De verhalen die een beelddenker schrijft zijn vaak onsamenhangend, omdat ze grote gedachtensprongen maakt. De zinnen staan als het ware los van elkaar, er zit geen verband tussen.
  • Beelddenkers hebben over het algemeen een fotografisch korte termijn geheugen, omdat ze de beelden opslaan.
  • Beelddenkers nemen heel intuitief beslissingen. Ze doen veel op hun gevoel.
  • Beelddenkers zijn vaak heel creatief. Ze zijn goed in knutselen en handvaardigheid.
  • Beeldenkers hebben vaak een goed ruimtelijk inzicht.
  • Beelddenkers kunnen goed de strekking van een zin onthouden. Maar als ze moeten voorlezen, lezen ze vaak iets heel anders dan er staat. Bijvoorbeeld: ‘de mus zit op het dak’. De beelddenker maakt plaatjes in zijn hoofd en spreekt dan bijvoorbeeld uit: ‘De vogel zit op de schuur’.
  • Dat komt omdat ze meer dingen tegelijk in hun denkmodel moeten zetten. Voor anderen is het dan niet altijd duidelijk wat er bedoeld wordt.
  • Beelddenkers hebben graag de vrijheid om zelf te bepalen hoe ze iets aanpakken.
  • Het scheiden van hoofd- en bijzaken is moeilijk.
  • Beelddenkers hebben vaak communicatieproblemen met de leerkracht en medeleerlingen.

De sociale vaardigheden van beelddenkers

Je hebt verschillende soorten beelddenkers. Een aantal daarvan hebben goede sociale vaardigheden. En een aantal hebben niet zulke goede sociale vaardigheden.

Deze bestaan weer uit twee uitersten:

Inner centre

Deze beelddenkers kijken niet echt naar de omgeving en naar andere mensen. Ze letten niet op de emoties van anderen of ze begrijpen deze niet zo goed. Ook letten zij niet op de sociale signalen van andere mensen. Hierdoor kunnen ze nogal star overkomen. Het lijkt alsof ze alleen op zichzelf gefixeerd zijn. Hierdoor kunnen ze nogal eens problemen krijgen met leraren of andere kinderen. Ze kunnen agressief overkomen.

Outer centre

Deze beelddenkers nemen eigenlijk niet echt deel aan de rest van de wereld. Ze kijken veel om zich heen en zijn echte dromers. Vaak vergeten zij dingen die ze moeten doen of ze worden ‘gewoon niet gedaan’. Leerkrachten weten vaak niet zo goed hoe het met dit kind gaat.

Het ondersteunend onderwijs beelddenken dient de volgende elementen te bevatten.

Voorbereidend

Het kind moet weten wat het einddoel is en waarom hij iets moet leren. Hij moet ergens naartoe werken. Het is oriënterend, prestatievrij en er kan veel concreet gehandeld worden.

Aanvullend

Als het het kind niet lukt om iets te leren met een bepaalde methode, moet er overgeschakeld worden naar een andere methode. Wat een taaldenker vaak moeilijker vindt, kan voor een beelddenker wel makkelijker zijn en andersom. Probeer daarom veel uit en sluit aan bij leeftijd.
Als automatiseren nog niet lukt in een hogere klas, laat hem dan oefenen met hogere getallen.

Corrigerend

Bied bijvoorbeeld spelling zo aan dat het kind de kans krijgt zichzelf te corrigeren. Als een ander iets verbetert, zegt hem dat vaak niets. Het werkt vaak het beste als een beelddenker van zichzelf leert. Montessort materiaal bevat vaak zelfcorrigerend materiaal.

Beelddenkers kijken vaak globaal naar een opdracht waarin veel details verwerkt zijn. Help het kind daarom door korte opdrachten te geven, zodat hij er stap voor stap doorheen kan. Bijvoorbeeld een opdracht waarbij maar één spellingregel tegelijk gevraagd wordt.

Compenserend

Soms gaat schrijven te langzaam. Knippen, plakken, invullen en stempelen kan dan een goed alternatief zijn. Ook kun je symbolen gebruiken in plaats van woorden.

Beelddenkers zijn vaak snel moe. Laat hem dan bijvoorbeeld een werkstuk maken die kort is, maar wel aan de eisen voldoet. Stel ook een tijdslimiet voor het leren, na een bepaalde tijd neemt hij nou eenmaal niks meer op.
Om het lezen opgang te brengen kun je ook met luistermateriaal werken, bijvoorbeeld gesproken boeken op CD.

Het is belangrijk dat het kind wel begrijpt dat je met inzicht alleen niet alle kennis krijgt die je nodig hebt in het leven.
Ook moet het kind leren hoe hij een proefwerk moet maken. Het is een hele kunst voor een beelddenker om zijn kennis over te brengen op een taaldenker. Hij moet leren hoe je leerstof verdeeld, samenvattingen schrijft, woorden leert (opschrijven, zo ziet hij ze!) etc.

Individuele hulp

Help het kind om meer strategieën te ontwikkelen of ze verder uit te werken. Help hem meerdere oplossingen voor een probleem te vinden.
Het kind heeft hulp nodig bij het automatiseren van kennis.

Algemene behandeling en begeleiding

De beelddenker kan begeleid worden in zijn manier van denken en dit om te zetten naar taal.

Hiervoor kan de zogenaamde ‘woord-beeldmethode’ worden gebruikt.
Bij deze methode wordt de taalstructuur van woorden en zinnen voor het kind zichtbaar gemaakt. Zo kan het kind zien wat er gebeurt en wat het moet doen. Dit gebeurt door middel van het werken met klei. De taal wordt dan ‘drie-dimensionaal’ gemaakt.
Het kind kan beelden maken van de stof en op die manier beter onthouden.

Praktische aanpak in het onderwijs

Vaak wordt er geprobeerd om het kind anders te laten denken, maar het is juist de bedoeling dat de manier van lesgeven aan het kind wordt aangepast.

Elke beelddenker is weer anders, dus je moet echt naar het kind zelf kijken en erachter komen hoe hij het beste benaderd kan worden.
Het is belangrijk dat het kind plezier blijft houden in het leren en dat het nieuwsgierig blijft.

Tips voor ouders voor het omgaan met een kind die in beelden denkt.

  • Vertel korte verhalen, anders dwalen de gedachten van je kind af.
  • Opdrachten moeten kort, duidelijk, overzichtelijk en uitvoerbaar zijn.
  • Je kind verbruikt veel energie, omdat de wereld anders is dan de hunne. Houd je kind gerust een keer een dagje thuis.
  • Houd je kind bij zijn werk, vraag wat het moet doen. Dit is belangrijk, omdat zijn gedachten snel afgedwaald zijn.
  • Laat je kind vrij om zijn eigen te kiezen, maar begeleid hem er wel in de juiste manier te kiezen door te blijven herhalen.
  • Complimentjes geven helpt alleen als het echt gemeend is, zonder te overdrijven.
  • Heb er vertrouwen in dat je kind doet wat je vraagt. Heb geduld, de opdracht moet hij eerst even verwerken tot het tot uitvoer komt.
  • Je kind zal alles tot in de details willen weten. Geef hem ook die duidelijke uitleg, want goede redenen helpen hem op weg.
  • Heb geduld in het omgaan met je kind.
  • Je kind zal graag de wereld zo aanpassen dat het bij hem past, het moet gaan zoals hij dat wilt. Stop hem niet meteen, maar geef wel duidelijk je grenzen aan.
  • Zit niet te dicht op de huid van je kind. Zijn verzet zal dan heftiger en dwangmatiger zijn.
  • Maak duidelijke afspraken. Liefdevolle en duidelijke begeleiding waarin een consequente lijn gevolgd wordt geven je kind veiligheid en rust.
  • Doe een beroep op zijn intelligentie en probleemoplossend vermogen. Hierdoor help je hem vooruit te komen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *